Aristotelisch-Thomistisch natuurrecht en de neothomistische invloeden in het Belgisch recht - een filosofische beschouwing

1. Inleiding

Wie naar de Belgische rechtsorde kijkt, ziet op het eerste gezicht vooral een moderne, liberale en pluralistische rechtsstaat. Toch loopt daaronder een oudere filosofische onderstroom mee: het Aristotelisch-Thomistisch natuurrecht en de neothomistische herneming daarvan vanaf het einde van de 19de eeuw. Die onderstroom is noch exclusief, noch rechtstreeks afleesbaar uit één wet of artikel, maar werkt veeleer via instituties (KU Leuven, katholieke partijen en vakbonden), via sociaal-politieke bewegingen (sociale katholieke arbeidersbeweging) en via begrippen als natuurrecht, menselijke waardigheid, rechtvaardig loon, gemeenschappelijk goed en vrijheid van onderwijs.

Natuurrecht is het idee dat er een objectieve morele orde bestaat die voorafgaat aan elke menselijke wet. Het zijn normen die zouden gelden ook als er (nog) geen parlement, koning of rechter was. Natuurrecht is de morele achtergrondmuziek van het recht: wat volgens rede/menselijke natuur sowieso juist of onjuist is, en waarmee we wetten beoordelen. Positief recht is het geheel van regels dat feitelijk door een bevoegde menselijke autoriteit is vastgesteld of erkend. Positief recht is de partituur die we echt op papier zetten: de concrete, veranderlijke regels die de staat afdwingt.

Ik doe hieronder drie dingen:

  1. Kort schetsen wat Aristotelisch-Thomistisch en neothomistisch denken inhoudt.
  2. Aangeven waar die invloed historisch en conceptueel terug te vinden is in de Belgische wetgeving.
  3. De sterktes en zwaktes van die invloed analyseren voor een moderne, pluralistische samenleving.

Met dank aan de lessen filosofie aan de Universiteit Antwerpen (UA)

2. Theoretisch kader: Aristotelisch-Thomistische en neothomistische achtergrond

2.1 Aristotelisch-Thomistisch natuurrecht in vogelvlucht

Thomas van Aquino bouwt voort op Aristoteles’ teleologie: de natuur is een geordende, doelgerichte werkelijkheid (ordo finalis). Het goede is datgene wat een wezen naar zijn eigensoortige volkomenheid leidt; het recht is een ordening van de rede tot het bonum commune.

In de klassieke Thomistische natuurrechtsleer geldt:

  • De lex aeterna (goddelijke orde) staat boven alle menselijke wet.
  • Het deel van die eeuwige wet dat voor de menselijke rede kenbaar is, is de lex naturalis.
  • De primaire natuurrechtelijke beginselen zijn zeer algemeen (bijv. “het goede doen en het kwade vermijden”), maar krijgen concrete inhoud in bevelen zoals:
    • waarheid zoeken over God,
    • gemeenschapsleven nastreven,
    • duurzame verbintenis van man en vrouw in het huwelijk,
    • opvoeding van kinderen.
  • Natuurrecht fungeert als kritische toets: een “wet” die manifest strijdig is met natuurrecht, is in strikte zin geen recht.

De Aristotelische notie van de polis als gemeenschap geordend op het goede leven, en de Thomistische idee dat positieve wet slechts geldig is binnen de grenzen van hogere morele normen, vormen de kern van deze traditie.

2.2 Neothomisme: heropleving en modernisering

Vanaf paus Leo XIII (encycliek Aeterni Patris 1879) wordt Thomisme uitdrukkelijk tot “officiële” filosofie van de katholieke intellectuele wereld gepromoveerd. In België leidt dat tot de oprichting van een leerstoel Thomistische filosofie en uiteindelijk tot het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte (HIW) in Leuven (1889).

Recent historisch onderzoek toont dat:

  • de Leuvense neothomistische infrastructuur (Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, rechtsfaculteit, tijdschriften) een nieuwe katholieke elite vormde;
  • Belgische neothomisten en katholieke juristen sterk betrokken waren bij de sociale kwestie (arbeidersarmoede, stakingen, klassenconflict);
  • dit neothomisme niet louter speculatief was, maar beoogde concrete juridische en sociale antwoorden te formuleren, onder meer via internationale netwerken en de Union internationale d’études sociales die in 1927 een Code social publiceerde;
  • vanaf 1884 tot 1914 quasi onafgebroken katholieke regeringen België bestuurden, wat de doorwerking van dit sociale katholieke, neothomistische denken in wetgeving vergemakkelijkte.

Neothomisme vertrekt dus uit klassieke Thomistische metafysica, maar verwerkt moderne sociale wetenschap, economische theorie en nieuwe politieke realiteiten (democratie, vakbonden, industrialisering).

3. Historische inbedding: natuurrecht en christelijke traditie in België

3.1 Natuurrecht in de totstandkoming van de Grondwet van 1831

De website De Belgische Grondwet (KU Leuven) wijst erop dat vele leden van het Nationaal Congres expliciet natuurrechtelijke taal gebruikten. Surlet de Chokier (1769-1839) verdedigde het petitierecht als een natuurrecht, gebaseerd op de “onveranderlijke grondslagen van het natuurrecht”.

De auteurs noteren:

  • dat de meeste volksvertegenwoordigers de fundamentele rechten beschouwden als natuurlijk en dus voorafgaand aan elke positieve rechtsorde;
  • dat dit het idee legitimeerde dat burgers het recht hebben een regime omver te werpen dat deze natuurlijke rechten schendt;
  • dat de grondrechten in 1831 bewust zeer centraal in de Grondwet zijn geplaatst (“De Belgen en hun rechten”).

Hoewel de concrete invulling sterk door verlicht, liberaal natuurrecht (Locke, Grotius, Kant) is gekleurd, staat dit niet los van de eeuwenlange scholastieke natuurrechtstraditie in de Zuidelijke Nederlanden, waarin Aristotelisch-Thomistische elementen al sinds de middeleeuwen via canoniek recht en theologie aanwezig waren.

3.2 Christendom, recht en secularisering in de Lage Landen

Een overzichtswerk over “Law, Christianity, and Secularization in the Low Countries” benadrukt dat het recht in de Lage Landen (waar België toe behoort) eeuwenlang diep doordrongen was van christelijke categorieën, en dat secularisering eerder geleidelijk verliep als verschuiving van jurisdictie van kerk naar staat dan als onmiddellijke verdwijning van christelijke normativiteit.

In de 19de en vroege 20ste eeuw bleven katholieke overtuigingen – vaak in Thomistische taal gearticuleerd – de juridische cultuur mede vormgeven, al werd hun institutionele macht stapsgewijs getemperd door liberalisme, socialisme en latere secularisering.

4. Waar zie je concreet Aristotelisch-Thomistische en neothomistische invloeden in de Belgische wetgeving?

Belangrijk nuancepunt: wetsteksten zeggen nergens “dit artikel is gebaseerd op Thomas van Aquino”. De invloed is indirect en werkt via:

  • de vorming van juristen en politici in neothomistische instellingen;
  •  katholieke partijen en arbeiders-/werkgeversorganisaties;
  •  sociaal-katholieke netwerken en pauselijke encyclieken (Rerum Novarum, Quadragesimo Anno, …);
  •  debatten over natuurrecht en rechtvaardigheid in de rechtsleer.

Wat volgt zijn dus genealogische en conceptuele verbanden, niet een simpele herleiding van regels tot één filosoof.

4.1 Sociaal recht, rechtvaardig loon en sociale zekerheid

4.1.1 Rerum Novarum en de christelijke arbeidersbeweging

De encycliek Rerum Novarum (1891) van Leo XIII, stevig geworteld in Thomistische moraal (juiste prijs, rechtvaardig loon, prioriteit van gezin en eigendom in functie van het algemeen welzijn), had internationaal en ook in België een belangrijke mobiliserende werking.

Historici tonen:

  • dat Rerum Novarum rechtstreeks bijdroeg tot de uitbouw van een christelijke arbeidersbeweging in België en de vorming van het ACV/ACW;
  • dat katholieke politici en werkgevers zich op deze sociale leer beriepen om sociale wetgeving en structuren voor sociale dialoog en collectieve onderhandeling te verdedigen.

In recente rechtsgeschiedenis over katholieke juristen en de Thomistische revival wordt expliciet gesteld dat Leuvense neothomisten (zoals Victor Brants (1856-1917) en anderen) natuurlijke rechtvaardigheidscriteria (o.a. rechtvaardig loon) koppelden aan concrete voorstellen voor sociaal-economische wetgeving.

4.1.2 Neothomisme en het “rechtvaardig loon”

Een studie over het neothomisme in België en het rechtvaardig loon (1879–1914) laat zien hoe Belgische neothomistische auteurs steeds opnieuw naar Thomas’ natuurrrechtelijke moraal verwijzen om het idee van een minimum- of rechtvaardig loon te onderbouwen. Zij verbinden expliciet:

  • natuurrechtelijke beginselen (arbeid moet in de onderhoudsbehoeften voorzien; eigendom is ondergeschikt aan de nood van de behoeftige);
  • met de plicht van de staat om via wetgeving te corrigeren waar louter contractvrijheid tot uitbuiting leidt.

De auteur concludeert dat, ondanks onderlinge verschillen, deze neothomisten een “morele wet die de menselijke wet voorafgaat en overstijgt” blijven veronderstellen, en dat zij het (ondergeschikt) positief recht wilden ontwikkelen “volgens het natuurrecht zoals gepercipieerd door Thomas van Aquino”.

4.1.3 Doorwerking in moderne arbeids- en grondwettelijke normen

Artikel 23 van de Belgische Grondwet (in zijn huidige vorm) erkent het recht op een leven “in overeenstemming met de menselijke waardigheid” en concretiseert dit in o.a. het recht op werk, rechtvaardige arbeidsvoorwaarden en een billijke vergoeding, sociale zekerheid en gezondheidszorg.

Een analyse van de Belgische loonvorming koppelt deze constitutionele waarborg van “billijke vergoeding” aan de historische ontwikkeling van rechtvaardig-loon-ideeën en verwijst expliciet naar Rerum Novarum als belangrijke intellectuele referentie voor het idee dat louter individuele contractvrijheid geen voldoende waarborg is voor een rechtvaardig loon.

Je krijgt hier dus een driehoek:

  • Thomistische natuurrechtelijke moraal → neothomistische sociale leer → sociaal-katholieke wetgeving en instituties → grondwettelijke erkenning van sociale rechten en billijke vergoeding.

De invloed is niet exclusief (ook socialistische en liberale tradities zijn cruciaal), maar Thomistische begrippen van rechtvaardigheid, gemeenschappelijk goed en menselijke waardigheid zijn duidelijk deel van dit normatieve weefsel.

4.2 Menselijke waardigheid als grondnorm

Artikel 23 stelt: “Iedereen heeft het recht een menswaardig leven te leiden.”

Internationaal wordt menselijke waardigheid pas vanaf de jaren 1940 expliciet de basis van het mensenrechtenrecht (VN-Handvest, UVRM, latere pacten). Onder de intellectuele architecten van dit waardigheidsdiscours figureert de neothomist Jacques Maritain, die mensenrechten uit de waardigheid van de persoon afleidt binnen een personalistische natuurrechtstraditie.

De Belgische grondwettelijke verwijzing naar menselijke waardigheid staat in die Europese en internationale context en is dus niet “puur Thomistisch”. Maar de combinatie van:

  • inherente waardigheid van de persoon,
  • koppeling aan sociale rechten als voorwaarden voor daadwerkelijke ontplooiing,

sluit nauw aan bij de neothomistisch-personalistische lijn waarin de persoon tegelijk autonoom én relationeel is, en het recht sociale structuren moet creëren die deze waardigheid mogelijk maken.

4.3 Vrijheid van onderwijs en rol van religie

De vrijheid van onderwijs is al vanaf 1831 een kernvrijheid en werd (oud) artikel 17 genoemd; ze staat naast persvrijheid, godsdienstvrijheid en verenigingsvrijheid.

Historische analyses tonen dat:

  • de katholieke zuil onderwijs zo veel mogelijk aan staatsbemoeienis wilde onttrekken;
  • de eis van “vrij onderwijs” één van de drijvende krachten achter de Belgische revolutie was;
  • de latere schoolstrijden (1879-1884, jaren 1950) draaiden rond de verhouding tussen “neutraal” staatsonderwijs en overwegend katholiek vrij onderwijs, en uitmondden in het Schoolpact (1958), waarvan principes in artikel 24 van de Grondwet zijn verankerd.

De katholieke verdediging van onderwijsvrijheid vertrekt uit een (ook Thomistisch te onderbouwen) visie waarin ouders de primaire verantwoordelijkheid voor de opvoeding hebben en waarin de staat slechts subsidiair ondersteunt (subsidiariteitsbeginsel). Dat beginsel is later expliciet uitgewerkt in de katholieke sociale leer, die zich op Thomistische metafysica van persoon, gezin en gemeenschappelijk goed beroept.

4.4 Katholieke sociale leer, corporatisme en overlegdemocratie

Onder historici van de christelijke arbeidersbeweging en katholieke partij is het inmiddels goed gedocumenteerd dat Rerum Novarum in België:

  • de uitbouw van katholieke vakbonden en standsorganisaties (ACV, ACW) stimuleerde;
  • leidde tot sociale wetgeving (arbeidsduur, kinderarbeid, sociale verzekeringen) via katholieke regeringen en later christendemocratische partijen;
  • debatten voedde over corporatistische structuren waarin werkgevers en werknemers samen aan het algemeen belang moesten werken.

Deze corporatieve, overleggerichte visie – diep verwant aan Aristotelische en Thomistische ideeën over de polis en het gemeenschappelijk goed – heeft sporen nagelaten in de Belgische overlegdemocratie (bv. Nationale Arbeidsraad, paritaire comités, structurele rol van sociale partners in regelgeving en uitvoering). De filosofische taal is zelden expliciet Thomistisch, maar de ordening rond klassenverzoening, solidariteit en rechtvaardigheid is herkenbaar verwant.

4.5 Gewetensconflicten: het voorbeeld van de abortuswet (1990)

Toen België in 1990 abortus gedeeltelijk depenaliseerde, weigerde koning Boudewijn, vanuit zijn katholieke geweten, de wet te ondertekenen. Er ontstond een korte institutionele crisis: de regering verklaarde de koning tijdelijk “in de onmogelijkheid te regeren”, nam zelf de wet aan “in naam van het Belgische volk”, en herstelde hem daarna.

Deze episode illustreert:

  • dat klassieke, sterk door Thomistische moraal beïnvloede opvattingen over de onschendbaarheid van ongeboren leven nog een rol speelden in de politieke cultuur;
  • maar ook dat de Belgische rechtsorde uiteindelijk koos voor een democratisch-positivistische oplossing (grondwettelijke procedure boven individueel moreel oordeel van het staatshoofd).

In recente discussies over de (mogelijke) zaligverklaring van Boudewijn wegens zijn verzet tegen de abortuswet wordt dit incident opnieuw gelezen als een botsing tussen natuurrechtelijke moraal en democratische rechtsstaat.

5. Sterktes van Aristotelisch- (neo)Thomistische invloed in een moderne Belgische samenleving

5.1 Antwoord op juridisch positivisme: recht als meer dan macht

Een eerste sterkte is de blijvende herinnering dat recht niet samenvalt met macht of louter formele procedure. In het Thomisme is positieve wet slechts echt recht wanneer ze geordend is op het goede leven en het gemeenschappelijk goed; een wet die de menselijke persoon structureel degradeert, is in laatste instantie geen recht.

In een tijd van technocratische regelgeving, complexe Europese en internationale normproductie en “juridisering” van alle levensterreinen, helpt zo’n perspectief om te blijven vragen:

  • Waarvoor is dit recht er?
  • Bevordert het werkelijk rechtvaardigheid, of slechts efficiëntie of belangen van sterke groepen?

Dit voedt een kritische, normatieve rechtscultuur en is een tegengewicht tegen een zuiver positivistische of economistische kijk op wetgeving.

5.2 Diep mensbeeld en sterke notie van menselijke waardigheid

Aristotelisch-Thomistisch en neothomistisch denken vertrekken van een rijk antropologisch concept: de mens is tegelijk redelijk, lichamelijk, relationeel en gericht op zelftranscendentie. Dat levert materiaal voor een stevige conceptie van menselijke waardigheid die:

  • niet louter subjectivistisch is (waardigheid ≠ enkel individuele voorkeur);
  • maar de persoon ziet als ingebed in relaties (gezin, gemeenschap, arbeid, natuur).

Dat vertaalt zich normatief in de gedachte dat een menswaardig leven sociale, economische en culturele randvoorwaarden vergt - precies wat in artikel 23 van de Grondwet tot uitdrukking komt.

5.3 Sociale rechtvaardigheid: bescherming van zwakke partijen

De neothomistische sociale leer heeft, via katholieke sociale bewegingen en partijen, een belangrijke rol gespeeld in het uitbouwen van sociale bescherming, rechtvaardige arbeidsvoorwaarden en structuren van sociale dialoog.

Sterktes daarvan:

  • Correctie van marktfundamentalisme: loon is niet slechts een prijs op een markt, maar moet beantwoorden aan menselijke waardigheid.
  • Solidariteit en sociale zekerheid: risico’s (ziekte, werkloosheid, ouderdom) worden collectief gedragen.
  • Institutionalisering van overleg tussen arbeid en kapitaal in plaats van enkel conflict of pure contractvrijheid.

Zelfs wie niet katholiek of gelovig is, profiteert in België van deze structuren en rechten, waarvan de normatieve wortels mede in Thomistisch geïnspireerde sociale leer liggen.

5.4 Kritiek op louter procedurele democratie

Aristotelisch-Thomistische theorie herinnert eraan dat democratie niet alleen een besluitvormingsmechanisme is, maar ook geordend moet zijn op substantieve rechtvaardigheid. “De wil van de meerderheid” is geen ultieme norm; meerderheden kunnen dwalen.

Dat voedt:

  • een cultuur waarin grondrechten als grenzen aan meerderheidssoevereiniteit worden gezien;
  • de idee dat minderheden en kwetsbaren bescherming verdienen, ook als dat onpopulair is;
  • kritiek op populisme dat “het volk” identificeert met één homogene wil.

6. Zwaktes en spanningspunten in een pluralistische rechtsstaat

6.1 Problematische aanspraak op vanzelfsprekende geldigheid

De klassieke Thomistische natuurrechtsleer claimt een tijdloze, universele geldigheid van haar beginselen. In een pluralistische samenleving is die claim zelf controversieel. burgers hebben niet langer één gedeelde metafysica.

Probleem:

  • Wanneer wetgeving expliciet of impliciet een specifieke natuurrechtelijke lezing (bv. klassieke seksuele moraal) als bindend voor alle burgers oplegt, wordt de legitieme diversiteit aan levensbeschouwingen onvoldoende gerespecteerd.
  • De vraag naar publieke rechtvaardiging rijst: kan een norm die alleen begrijpelijk is binnen een bepaald theologisch-metafysisch kader nog als neutraal staatsrecht worden opgelegd?

In België heeft men dit doorgaans opgelost door Thomistisch geïnspireerde argumenten te vertalen in meer algemeen toegankelijke taal (waardigheid, gezondheid, sociale rechtvaardigheid), maar de spanning blijft.

6.2 Spanningen rond gender, seksualiteit en familie

Op terreinen als:

  • reproductieve rechten (abortus, anticonceptie),
  • seksuele moraal (huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht, euthanasie, bio-ethiek),

botst de klassieke Thomistische teleologie (seksualiteit geordend op voortplanting binnen het huwelijk, onbeschikbaarheid van leven) vaak frontaal met dominante hedendaagse opvattingen over individuele autonomie en gelijkheid. In Thomistisch/katholieke termen is leven een gegeven en een goed dat je moet bewaren, geen ding waar je eigenaar van bent. Menselijk leven is in Thomistisch/katholieke optiek geen goed waarover iemand volledig vrij kan beschikken (alsof het een ding of eigendom is), zelfs niet het eigen leven. 

De Belgische abortuscrisis van 1990 toont hoe een natuurrechtelijk geïnspireerd gewetensberoep van een katholieke koning op gespannen voet kan staan met democratisch tot stand gekomen wetgeving en reproductieve rechten. Reproductieve rechten zijn de rechten van individuen en stellen om vrij te beslissen over hun voortplanting. Dit omvat het recht om te bepalen hoeveel, wanneer en met welk leeftijdsverschil ze kinderen willen, en om de benodigde informatie en middelen daarvoor te hebben. Dit omvat ook toegang tot anticonceptie, veilige zwangerschappen en bevallingen, en het recht op legale en veilige abortus.

Voor een moderne samenleving is de vraag:

  • hoe ver mag wetgeving gaan in het juridisch afdwingen van omstreden natuurrechtelijke normen,
  • zonder de fundamentele rechten en morele autonomie van burgers te ondermijnen?

6.3 Risico op paternalistische en hiërarchische structuren

De neothomistische sociale leer heeft weliswaar sociale rechtvaardigheid bevorderd, maar historisch ook vormen van paternalistische “zorg” voor arbeiders of vrouwen gelegitimeerd (klassieke rolverdeling, standsorganisaties geleid door clerus of notabelen).

In een hedendaags perspectief kan dit problematisch zijn:

  • de grens tussen bescherming en (paternalistische) betutteling is dun;
  • hiërarchische structuren kunnen emancipatorische bewegingen (feminisme, LGBTQ+-rechten, arbeidersautonomie) afremmen;
  • het risico bestaat dat “het algemeen welzijn” wordt geïnterpreteerd vanuit de belangen en waarden van dominante groepen binnen de katholieke zuil.

6.4 Moeizame omgang met radicale pluraliteit

De Aristotelisch-Thomistische traditie veronderstelt een uiteindelijk één menselijke natuur en één teleologie. In een superdiverse samenleving met verschillende religies, levensbeschouwingen en wereldbeelden, is:

  • het gesprek over wat “natuurlijk” is zelf onderwerp van fundamenteel conflict;
  • het gevaar reëel dat “natuur” retorisch wordt ingezet om historische en culturele contingenties te maskeren.

Dat vraagt om een hermeneutisch bescheidener, historisch bewust neothomisme, dat eigen inzichten aanbiedt in publieke rede zónder zich te misrekenen als vanzelfsprekende maatstaf voor iedereen.

6.5 Institutionele verweving van religie en staat

België kent geen strikte laïcité, maar een systeem van erkende erediensten en structurele financiering ervan. Dit is mede een erfenis van een historisch sterke katholieke aanwezigheid in het publieke recht.

Voordelen daarvan (bescherming van levensbeschouwelijke dienstverlening, onderwijs) moeten worden afgewogen tegen risico’s:

  • perceptie van ongelijke behandeling tussen erkende en niet-erkende levensbeschouwingen;
  • spanningen wanneer religieuze leiders zich direct in politieke debatten mengen (zoals bij recente controverses rond pauselijke uitspraken over abortus en de rol van koning Boudewijn).

Een te sterke institutionele verstrengeling kan de neutraliteit van de staat en het vertrouwen van niet-gelovige of anders-gelovige burgers ondergraven.

Laïcité is het Franse concept van een strikte scheiding tussen kerk en staat, dat ervan uitgaat dat religie een privézaak is en de overheid onpartijdig is ten opzichte van alle levensbeschouwingen. Het doel is de vrijheid en gelijkheid van alle burgers te garanderen door te voorkomen dat één levensbeschouwing de samenleving domineert.

7. Slotbeschouwing: Kritische voortzetting in plaats van nostalgie

De Aristotelisch-Thomistische en neothomistische invloed in de Belgische wetgeving is geen simpel verhaal van “middeleeuwse theologie in moderne wetboeken”, maar een complex weefsel van tradities:

  • De klassieke natuurrechtstaal van 1831 (natuurlijke rechten voorafgaand aan de staat).
  • De neothomistische sociale leer die tussen 1880 en 1960 mede de architectuur van het sociale recht, de arbeidersbescherming en overlegstructuren vormgaf.
  • De personalistische waardigheidstaal in mensenrechten en Grondwet (art. 23).

Voor een moderne Belgische samenleving lijken drie houdingen vruchtbaar:

1. Erkenning

Erken dat een belangrijk deel van de Belgische sociale rechten, overlegstructuren en waardigheidsdiscours mede door Thomistisch geïnspireerde denkers en bewegingen is mee gevormd, zonder die bijdrage te idealiseren of te monopoliseren.

2. Kritische selectie

Behoud de sterkten – normatieve diepgang, sociale rechtvaardigheid, nadruk op de waardigheid van de persoon – maar stel de problematische erfenissen (paternalisme, gender- en sexualiteitsopvattingen, universaliteitsclaims zonder publieke verantwoording) kritisch aan de orde. 

3. Dialoog in publieke rede

Laat Aristotelisch-Thomistisch geïnspireerde stemmen deelnemen aan het publieke debat, maar vraag dat ze hun argumenten vertalen in redenen die ook voor andersdenkenden toegankelijk zijn. Omgekeerd kan de Thomistische traditie leren van hedendaagse mensenrechten- en democratie-theorieën, die de procedures en waarborgen van pluralistische besluitvorming hebben verfijnd.

In die zin is de meest vruchtbare rol van het (neo)Thomisme in het huidige België niet het opleggen van een voorgegeven natuurrechtelijk schema, maar het blijven aanleveren van bronnen voor kritische reflectie over rechtvaardigheid, gemeenschap en menselijke waardigheid – binnen een rechtsorde die het laatste woord bij democratische, grondwettelijk gebonden besluitvorming laat.

Bronnen (selectie)

Law, Christianity, and Secularization in the Low Countries 

Capita encyclopedie en rechtsfilosofie

Leuven en het neothomisme

The history of the Higher Institute of Philosophy

Thomist Revival, Belgian Catholic jurists and their international networks, 1880s-1920s

Historische verdieping | De Belgische Grondwet

Rerum novarum (1891)

De christelijke arbeidersbeweging in België, 1891-1991

Het neothomisme in België en het rechtvaardig loon (1879-1914)

Wage-setting in Belgium: Collective Autonomy under the Shadow of the Law

Historische verdieping | De Belgische Grondwet - Onderwijsvrijheid

Abortion in Belgium (Wikipedia)

La béatification du roi Baudouin, figure catholique anti-IVG, divise la Belgique (Le Monde)

Katholieke arbeidersbeweging in België (Ons Erfdeel. Jaargang 30)

Pope ends troubled Belgium visit by doubling down on abortion and women and praising abuse victims (AP)

Reacties

Populaire posts van deze blog

Non-Domination Beyond the Borders of the European Union: A Civic-Republican Blueprint for a European Security Perimeter Doctrine

Freedom Under Constraint: A Philosophical Diagnosis of the European Union’s (EU) Competitiveness Malaise

De betekenis van Jürgen Habermas’ Theorie des kommunikativen Handelns voor de hedendaagse westerse wereld